Een themokoppel werkt op het principe dat wanneer
2 metalen met elkaar in contact worden gebracht er een
elektrische spanning ontstaat die afhankelijk is van de temperatuur. Er zijn een groot aantal
verschillende combinaties. De meest bekende zijn wel Nikkel-Chroom (temp. bereik ca. -200°C tot
900°C) en Koper-Nikkel (temp. bereik ca. -200°C tot 350°C)
Met een thermokoppelmeting kan in een zeer brede temperatuurrange worden gemeten; dit is meteen het belangrijkste voordeel van dit meetprincipe.
Omdat er op bepaalde plaatsen (bv bij het aansluiten van de thermokoppeldraden in het instrument) tevens 2 metalen met elkaar in contact worden gebracht, ontstaat ook daar een spanning, de zg cold-junction. Om er voor te zorgen dat deze 'cold junction' de juistheid van het meetresultaat niet beinvloeden kan, wordt er in het meetinstrument een 'cold junction' compensatie toegepast.
De thermokoppelmeting wordt toegepast omdat dit meetprincipe een breed temperatuurbereik aan kan; het nadeel is, dat de nauwkeurigheid minder groot is dan bij bv een Pt100 meting.
De
Pt100, ook wel RTD (Resistance Temperature Detector) genoemd, werkt volgens het principe dat de
weerstand van een bepaald materiaal (vaak Platinum)
liniair wijzigt onder invloed van de temperatuur. Waarom de naam Pt100: deze heeft een weerstand van 100Ω bij 0,0°C.
Zo is bij een Pt1000 de weerstand bij 0,0°C 1000Ω. Bij een Pt1000 wordt de te meten
temperatuur verdeeld over een bredere range (1000 ipv 100) waardoor een grotere
nauwkeurigheid ontstaat.
Omdat de totale weerstand (inclusief de meetdraden) de aanwijzing van de temperatuur bepaalt, is het handig om bij lange meetdraden er voor te zorgen dat voor deze 'extra' weerstand van de meetdraden wordt gecompenseerd. Dat gebeurt bij de 3- en 4 draads Pt100(0)'s. De meetweerstand wordt hierbij in een brug van Wheatstone geplaatst.